Vloedmerkplanten
De kust is een onvriendelijke plaats voor planten. Alleen de meest taaie soorten zijn bestand tegen de grote hoeveelheden zout, de aanhoudende zeewind en de schurende werking van rondvliegend zand. Het zijn specialistische soorten, die bijzondere technieken hebben ontwikkeld om hun overlevingskansen te vergroten. Voor veel kustplanten speelt het vloedmerk hierin een doorslaggevende rol. In het desolate landschap zijn de aangespoelde wieren, dode dieren en afval vaak de enige bron van voedingsstoffen in de gehele omtrek. Geen wonder dat planten juist hier hun kans grijpen. Met behulp van regenwater ontkiemen de aangespoelde zaden. In een korte tijd ontstaat er een bont gezelschap aan soorten, de enige nog opmerkelijker dan de andere. We vinden ze vooral op plaatsen waar de kust aangroeit; waar het strand hoger en breder is en de zee vaak op gepaste afstand blijft. Grofweg zijn er twee groepen vloedmerkplanten te onderscheiden. De eerste groep (Strandmelde-associatie) groeit aan de voet van de zeeduinen, waar het vloedmerk door zand is ondergestoven. Bij de andere groep (Associatie van Loogkruid en Zeeraket) ontbreekt dit zandlaagje. Deze planten vinden we vaak aan de voet van zeedijken en langs de randen van schorren, slufters en kwelders. De meeste soorten zijn eenjarig. In de herfst sterven de planten weer af.
De foto's in deze categorie zijn afkomstig uit de beeldbank van Wikipedia Commons
Atriplex littoralis | Zeldzaam
STRANDMELDE
Strandmelde groeit op beschutte plaatsen langs de kust, waar organisch materiaal is afgezet door het zeewater. In Nederland is de 30-100 cm hoge plant langs de gehele Noordzeekust te vinden, vooral op de hogere delen van schorren, kwelders, strandvlakten en aan de voet van zeedijken. De geribde, iets kantige stengels hebben donkere (soms roodachtige) strepen en zijn sterk vertakt. De kleine, groenige bloemen (juli t/m september) zijn onopvallend en groeien op een lange schijnaar, die alleen aan de onderzijde blad heeft. Bestuiving van de bloemen vindt plaats door de wind. De vruchten worden zowel door de wind als het zeewater verspreid. Afhankelijk van de omgeving kan de plant verschillende groeivormen aannemen (rechtopstaand of kruipend).
Crambe maritima | Zeldzaam
Zeekool
Je hoeft geen bioloog te zijn om zeekool te herkennen. Zeekool is een forse plant die wel 80 cm hoog kan worden. De blauwgroene, gekrulde bladeren zijn groot (tot 30 cm), lijken op koolbladeren, zijn diep ingesneden en hebben lange stelen. De plant bloeit in de maanden juni en juli; dan verschijnen er grote, witte bloemtrossen. De bloemen hebben een sterke geur en trekken allerlei insecten aan, vooral zweefvliegen en bijen. Zeekool heeft dikke zaden, die wel een maand lang kunnen rond drijven op zee. Als ze eenmaal aanspoelen en ontkiemen, kan de plant meerdere jaren standhouden op dezelfde plaats. Je vindt haar op vloedmerken aan het strand, aan de voet van de zeeduinen, tussen rijshout en op zeedijken. Op de Afsluitdijk zijn ze in grote aantallen te bewonderen.
Honckenya peploides | Zeldzaam
ZEEPOSTELEIN
Zeepostelein is een kleine, taaie pionier, die in Noord-Holland met name op Texel in grote aantallen voorkomt. Zowel aan de Waddenzijde (tussen de basaltkeien aan de onderkant van Waddenzeedijk) als de Noordzeekust (o.a. bij embryonale duintjes op De Hors). Ze groeit graag op plaatsen waar aanspoelsel is terecht gekomen. Zeepostelein heeft regenwater nodig om te ontkiemen, maar kan daarna ook zonder. De kleine, vlezige bladeren beschermen de plant tegen uitdroging en geven zeepostelein het uiterlijk van een vetplantje. Heeft de plant eenmaal een geschikte plaats gevonden, dan kan ze lange tijd standhouden en grote, aaneengesloten plakkaten vormen. Vanaf mei t/m augustus verschijnen de kleine, witte tot groenachtige bloemetjes (0,6-1 cm).
Cakile maritima | Zeldzaam
ZEERAKET
Zeeraket is een echte soort van de zeereep. Je komt deze 10 tot 60 cm grote en bossige plant op allerlei plaatsen tegen; van het vloedmerk op het kale strand tot iets verder in de eerste duinen. Daar leeft ze van ondergestoven resten van dode planten of dieren. Een diepe penwortel geeft de plant houvast in het losse zand. De bladeren zijn opvallend dik en vetplant-achtig. Dankzij het waslaagje wordt het blad beschermd tegen verdamping en de schurende werking van het zand. De 1 cm kleine, witte tot roze bloemen ruiken naar honing en worden veel door bijen en zweefvliegen bezocht. Tot ver in de herfst zijn de bloemetjes te bewonderen. Voor haar verspreiding kan zeeraket o.a. rekenen op haar kurkachtige, harde vruchten (2 cm) die door wind en water worden opgepikt.
Atriplex glabriuscula | Zeldzaam
kustmelde
Kustmelde lijkt erg op de andere meldesoorten, vooral spiesmelde. Het feit dat de soorten op dezelfde plaatsen groeien (vaak op zeedijken, boven de vloedlijn) helpt ook niet echt. Pas als de planten zaden hebben, zijn ze makkelijker van elkaar te onderscheiden. Maar dan moet je wel de moeite nemen om de vruchten open te peuteren. De gehele plant is bedekt met piepkleine blaarachtige zouthaartjes, die de plant een grijs oppervlak geven. De 20-40 cm lange stengels liggen vaak op de grond. Het getande blad is pijlvormig. In augustus en september verschijnen de groenige bloemetjes, die samen een bundel vormen. In Nederland is kustmelde erg zeldzaam. Ze is met name op de Waddeneilanden, in het deltagebied en langs de Afsluitdijk te vinden.
Crithmum maritimum | Zeer Zeldzaam
Zeevenkel
Zeevenkel is eigenlijk een plant van de Zuid-Europese rotskusten. In Nederland kom je haar sporadisch tegen op zandige aanspoelgordels en zeedijken (o.a. de Afsluitdijk). De zaden (in peulen) worden door de zee aangevoerd en ontkiemen in het vloedmerk. Het wegrottende wier en opspattend zeewater voorziet de plant van de benodigde voedingsstoffen. Zeevenkel wordt 20-50 cm hoog. De voet van de stengel en de wortels zijn houtig. Het blad is smal en vlezig. Tijdens de bloei (juli tot oktober) verschijnen de kenmerkende , 3 tot 6 cm brede bloemschermen. De bloemetjes zijn geelachtig groen en 2 mm groot. Zeevenkel is ook te koop als zeegroente. Het kruidige, pittige blad wordt vaak in salades wordt gebruikt; de stengels hebben een asperge-achtige smaak.
Glaucium flavum | Zeldzaam
Gele hoornpapaver
De gele hoornpapaver dankt haar naam aan de grote, citroengele bloemen (6-9 cm) die erg op de bloemen van grote klaproos lijken. Ze groeit op open, zonnige plaatsen waar veel voedsel en kalk in de grond zit: meestal op ondergestoven vloedmerk aan de duinvoet bij zee. De plant is zeldzaam. Op Texel kun je haar soms zien langs de randen van de Slufter en de Hors. Gele hoornpapaver wordt 30-60 cm hoog, heeft bijna kale stengels en is vaak onregelmatig vertakt. De ruw behaarde bladeren zijn blauwachtig groen. De zaaddozen zijn smal, langwerpig en 15-30 cm lang. Afgebroken delen van de plant worden vaak verder de duinen in geblazen, waar ze blijven liggen en als rozet de winter doorbrengen. Maar het worden zelden nieuwe planten, omdat er te weinig voedsel is.
Beta vulgaris maritima | Zeldzaam
STRANDBIET
Strandbiet is een ‘wilde’ variant van de biet, die we kennen als cultuurgewas. Het is een plant die uitsluitend langs de kust groeit: op strandvlakten, schorren en aan de voet van duintjes. Maar ook in havens en op zeedijken kun je haar vinden. Tenminste, als je geluk hebt. Strandbiet is een zeldzame dwaalgast, die met name in het zuidwesten van Europa voorkomt. Ze groeit vaak op aangespoeld zeewier dat vermengd is met zand en schelpen. De kale, rechtopstaande stengels kunnen een meter hoog worden. De bladeren zijn glanzend donkergroen, leerachtig en eirond tot hartvormig. Tijdens de bloei sterft het blad vaak af. Op sommige plaatsen langs de kust wordt strandbiet experimenteel geteeld. De bladeren zijn rijk aan ijzer en vitamines, maar zijn erg taai en moeilijk te kauwen.
Polygonum oxyspermum | Zeer zeldzaam
Zandvarkensgras
Zandvarkensgras is eenjarige (soms tweejarige) kruidachtige plant met smalle, langwerpige blauwgroene bladen waarvan de randen iets naar beneden zijn gerold. De gladde, kale stengels liggen op de grond en hebben vaak een houtige voet. De plant groeit op zonnige, open plekken op een vochtige, voedselrijke, brakke tot zilte grond. Het is een zeer zeldzame verschijning. De meeste kans op een waarneming heb je bij vloedmerken op zand-, schelpen en kiezelstranden en zandige pioniersplekken op zeedijken. De plant is goed te herkennen aan de witte, klokvormige bloemen, die vanaf juli tot in oktober zijdelings in kluwen op de plant groeien. De 5 vergroeide bloemdekbladen kunnen soms ook roze of rood gekleurd zijn. De glanzende, bruine dopvruchten zijn 4 -5 mm.
Atriplex laciniata | Zeer Zeldzaam
GELOBDE MELDE
Gelobde melde is een echte soort van het vloedmerk. De eenjarige, 20-60 cm grote plant doet het vooral goed op met zand bedekte resten van bruinwieren, die veel meststoffen bevatten. Gelobde melde is zeldzaam; de meeste kans op een ontmoeting maak je bij bochtige kusten, met veel inhammen. De sterk vertakte, vrij slappe en roodachtige stengels liggen verspreid over het zand. Het blad is ruitvormig, heeft een spitse top en een gezaagde rand. Op het blad liggen grijze tot zilverachtige vlokken. Het bladgroen bevindt zich alleen langs de nerven, de rest van het blad is nagenoeg doorzichtig. Van juli tot september verschijnen er kleine, groene bloemetjes, die in een krans in de bladoksels staan. De bloemen zijn of mannelijk of vrouwelijk.
Salsola kali | Zeldzaam
STEKEND LOOGKRUID
Stekend loogkruid groeit langs het strand en in de buitenste duinen. Het is een sterk vertakte, struikachtige plant, die 10-50 cm hoog wordt. De stengels zijn op oudere leeftijd vaak rood gekleurd. De plant oogt allesbehalve vriendelijk: het kleine blad is kort, stekend, hard en ruw. Daarmee houdt de plant hongerige dieren op een afstand. Stekend loogkruid bloeit van juli tot in september. Maar erg uitbundig is het niet. Verscholen in de bladoksels bevinden zich kleine (5-9 mm), groenachtige bloemen. De bloemen hebben vijf bloemdekbladen die tijdens de bloei rechtop staan en in een stekelpunt uitlopen. Na de bloei omsluiten de bloemen de vrucht, waardoor er een harde kegel ontstaat. Een brede, dwarse vleugel helpt de vruchten bij de verspreiding door de wind.
Tripleurospermum maritimum | Algemeen
REUKELOZE KAMILLE
Reukeloze kamille kom je in heel Nederland tegen. De kustvorm (ook wel Zeekamille genoemd) groeit bij vloedmerken op strandvlakten, duinen, dijken en kwelders. Ze doet het vooral goed op het aanspoelsel van Engels slijkgras of andere grassen. De iets gegroefde, onbehaarde stengel kan 50 cm hoog worden. Vanaf juni verschijnen de 2-4 cm grote bloemen: witte straalbloemen met in het hart een knop gele buisbloemen. Ze lijken erg op margrieten. De bloemen zijn tot ver in het najaar te bewonderen (soms zelfs in de winter). En ook al is de geur niet van betekenis, de plant is in trek bij bijen, hommels en vlinders. Na de bloei zijn de witte bloemblaadjes teruggeslagen. Het blad is varenachtig: veervormig met lange dunne, rolronde, draadvormige slippen.
Atriplex prostrata | Algemeen
Spiesmelde
Spiesmelde is een algemene soort. De 20 tot 90 cm grote plant groeit vooral langs de kust, op het voedselrijke aanspoelsel langs het strand of aan de randen van kwelders en schorren. Ook tussen de stenen van zeedijken kan je haar vinden. Ze is goed herkenbaar aan het spiesvormige, driehoekige blad dat wel 10 cm lang kan worden. De bloemetjes zijn minder opvallend. Spiesmelde bloeit van juli tot september. De bloemen groeien in vrij dichtbloemige pluimen aan de top van de stengel. Op dezelfde plant komen zowel mannelijke als vrouwelijke bloemen voor. Bestuiving gebeurt door de wind. De stengels komen rechtop of liggend voor. De plant is zeer variabel van vorm en kleur, soms donkergroen tot grijsgroen en vaak ook roodachtig. Spiesmelde is eetbaar.
